Aan
de Noordoost kant van "de Groate kerk" in St.-Jabik ligt sinds maart
2003 een monument voor alle niet-geïdentificeerde zeelui die voor de kust van
Het Bildt zijn verdronken. Het monument is gemaakt door beeldend kunstenaar
Marco Goldenbeld en de 3 roestkleurige staalplaten verbeelden de golvende zee.
Uit iedere plaat steekt een granieten steen; de boeg van een schip. De
golven zakken steeds iets verder de grond in, wat verwijst naar het begraven.
In
de zomer van het jaar 2000 ontstond vanuit de stichting Kultureel Sintrum de
Groate Kerk in St.-Jacobiparochie de Kemissy Drenkelingenhoek die de
haalbaarheid van een herinneringmonument op de plaats van de vroegere
drenkelingenhoek ging onderzoeken.
De
Stichting Bildtse Belangen Friesland Bank/Bildtse Bank, provincie Friesland,
Kulturele Raad ’t Bildt maakten het financieel mogelijk dat het ontwerp van
beeldend kunstenaar Marco Goldenbeld, Oudebildtdijk St.-Jacobiparochie kon
worden uitgevoerd. Bijzonder erkentelijk is de commissie voor de geldelijke
bijdrage van de Koninklijke Marine.
Als
kustgemeente moest het Bildt een voorziening hebben voor het begraven van op zee
verdronken en aangespoelde personen. Na het ontstaan van de grietenij (gemeente)
het Bildt in 1505 was lange tijd op basis van het inwonertal St.-Jacobiparochie
het grootste Bildtdorp. Op de begraafplaats rond de Hervormde kerk van St.-Jacobiparochie
was tot 1875 ruimte gereserveerd voor het begraven van drenkeldoden; de
drenkelingenhoek. De drenkelingenhoek was als regel de Noordoost-hoek van het
kerkhof. Om het op zijn Bildts te zeggen:
"De
drinkeligehoek waar de kouwe, kale kant fan 't kerkhôf der't 'n St.-Jabuurtster
doad niet lêge wou".
Een
zeeman hield er rekening mee dat hij op zee zou kunnen verdrinken. Hij droeg
daarom als voorzorgsmaatregel om zijn identiteit te vergroten een visserstrui
waarin het daarin gebreide motief verwees naar de havenplaats waarvan hij
afkomstig was. Door het inbreien van initialen werd het vaststellen van wie de
persoon was vergemakkelijkt. Niet ongebruikelijk was dat een zeeman een of meer
gouden oorringen droeg. De reden daarvoor lag in de omstandigheid dat hij
"ergens" levenloos zou kunnen aanspoelden en worden begraven. De
kosten van het begraven kon dan worden betaald uit de opbrengst van het goud dat
hij aan zich droeg.
In
1875 werd het begraven in de dorpskom, rondom de kerk, niet langer toegestaan.
Nieuwe begraafplaatsen werden buiten de dorpen ingericht. De onzichtbare
drenkelingenhoek op het oude kerkhof van St.Jacobiparochie raakte 'vergeten',
tot het moment dat de directe omgeving van de voormalige kerk en oude
begraafplaats in een herinrichtingsplan werd opgenomen.
In
Sannes' "Geschiedenis van het Bildt" wordt melding gemaakt van het
stranden van een schip in 1643. In 1650 spoelden veel goederen aan tegen de
zeedijk, nu de Nieuwebildtdijk. Zonder vermelding van nadere gegevens wordt het
in 1656 aanspoelen van 32 verdronken personen genoemd. Zij werden begraven in de
drenkelingenhoek op het kerkhof van St.-Jacob. In die tijd kon de identiteit van
op zee verdronken personen meestal niet worden achterhaald en de meeste
zeelieden werden dan naamloos begraven.
In de zomer van 1658 vergingen in een storm wel 30 schepen op de Waddenzee en in
het najaar van 1660 was er voor búsoekers (het Bildtse woord voor
strandjutters) weer veel te vinden en stikem op te bergen. November 1707 liep
het schip "St.Pytter" op de kust van het Bildt, in september 1710 werd
een schipper en zijn knecht dood in een uit Enkhuizen afkomstig schip
gevonden.
Het schip" De Twaalf Patriarchen strandde in de herfst van het jaar 1716
en talloze goederen van andere schepen spoelden aan. Het Amelander beurtschip
raakte op 25 november 1785 bij Zwartehaan op de kust. De "Lutine", het
goudschip dat eind 1799 tussen Vlieland en Terschelling verging, wordt ook in
het standvondersregister van het Bildt genoemd. Wrakdelen spoelden aan bij
Zwartehaan. De jutters van toen hebben vast met spijt vastgesteld dat goud
helaas niet drijft.. Maar de kachel had weer brandstof.
Van
een volgend scheepsdrama op de Waddenzee is meer bekend. Op 30 september 1807,
de 'Franse' tijd, verging in een storm het schip "Noodweer" van de
Bataafse Marine. Alle 41 opvarenden verdronken en werden in St.-Jacobiparochie
en St.Annaparochie begraven. De kapitein kreeg een laatste rustplaats in de
kerk.
In de steen (onder de vloer) is het volgende gebeiteld: "Hieronder rust
den weled. Heer G.S. Rabi van Wezel, Kapt. ter Zee, commandeeremde de Galey
van Oorlog" Noodweer", in den woedende storm des nachts van den 30
september 1807 op den Abt met zijn geheele equipage omgekomen, in den ouderdom
van 33 jaren."